Geen rots is te klein
Voor deze grote vogelsupersteden moeten we naar ruige kustgebieden trekken.  De Noordse kust is hier perfect voor. Wanneer je helemaal naar het noorden gaat, kom je bij Varanger uit en dan kun je niet om Hornøya heen.

Op dit eiland—of ja, deze rots beter gezegd—broeden niet minder dan 100.000 vogels van 11 vogelsoorten op een oppervlakte van 0,4 km². Dat is een bevolkingsdichtheid van 250.000 vogels per vierkante kilometer! Manila, de uiterst dichtbevolkte hoofdstad van de Filipijnen, komt aan zo’n 46.179 inwoners per vierkante kilometer.
Deze kolonies hebben zo ook hun problemen, net zoals onze grootsteden. Zo zijn kolonies vatbaar voor infecties. Vogelgriepuitbraken kunnen desastreuze gevolgen hebben voor vogelkolonies. Zo was er in 2023 nog een enorme uitbraak in Noord-Noorwegen die met name drieteenmeeuwen trof.

Een andere bedreiging voor vogelkolonies is predatie. Van nature komen er geen tot amper predatoren voor op deze kliffen. Meeuwen dragen de meeste verantwoordelijkheid, en in noordelijke gebieden durven jagers en giervalken ook wel een hapje mee te eten. Het échte probleem echter zijn landpredatoren, en daar spelen wij een grote rol in. Ratten zijn desastreus, maar wijzelf ook. Ten eerste zijn wij de oorzaak dat deze landpredatoren via een boot deze rotsstulpjes kunnen koloniseren, daarnaast aten wij (vooral vroeger) een flink hapje zeevogel. Voor de bebaarde zeebonken was dit een welkome bron van proteïnen; één soort moest er zelfs aan geloven: de fameuze reuzenalk.
Wat ook niet in het voordeel van koloniebroedende zeevogels speelt, is dat ze vaak maar één ei leggen. Om deze reden is het cruciaal dat zeevogels zo min mogelijk verstoord worden. In Hornøya kan je enkel op een paadje van een kilometer lang wandelen; voor de rest is het eiland ontoegankelijk.
Klimaatverandering – surprise surprise – werkt ook niet in het voordeel. De stijgende zeetemperatuur zorgt ervoor dat verschillende vissoorten hun verspreidingsgebied aanpassen. Hierdoor kunnen er voor zeevogels voedseltekorten optreden. Daarnaast durven wij ook wel eens iets te enthousiast onze netten uit te slaan in de zee. We zijn met andere woorden een grote concurrent als het op voedselzekerheid aankomt.
Zo zie je maar: hoe machtig deze vogelsupersteden er ook uitzien, ook deze plekken staan onder ontzettend hoge druk!
Clowns van de zee
De grote publiekslieving van is de papegaaiduiker. Deze vogel oogt nogal onhandig wanneer het met zijn plompe lichaam over de grond waggelt. De grote populariteit hebben papegaaiduikers te danken aan hun snavel in de Belgische driekleur. De exacte reden waarom deze snavel zo blits gekleurd is blijft voorlopig een onbekend, al zijn er vermoedens dat het een soort kwaliteitsindicator is; hoe blitser, hoe stoerder. 
Nog een leuk, de gele naakte huid aan de snavelbasis van papegaaiduikers is rekbaar, waar door er meer ruimte tussen de snavelhelften gecreëerd wordt! 
Papegaaiduikers broeden trouwens niet op de kliffen, het zijn holen broeders! Je vindt ze dus vooral op de hogere delen boven de rotsen waarin ze een hol graven, de gang kan tot wel meer dan twee meter lang zijn! Deze video toont hoe dat graven in zijn werk gaat en hoe zo'n hol er langs binnen uitziet.
Pinguïns van het noordelijk halfrond
De alk en de zeekoet lijken in vergelijking met papegaaiduikers nog véél meer op pinguïns. Ondanks de oppervlakkige gelijkenissen zijn de alkachtigen en papegaaiduikers niet nauw verwant met pinguïns. Misschien verassend, maar alken en papegaaiduikers zijn nauwer verwant met, jawel, steltlopers! 
Hun minimalisme zorgt er voor dat de alk en de zeekoet bij mijn favoriete vogels van zeevogelkolonies behoren. Bij de alk vind ik de wit lijnen op de snavel en de witte ooglijn werkelijk prachtig! Het geeft ze iets mysterieus, een zekere wijsheid. De echte schoonheid huist misschien binnensmonds, hun opvallend gele gehemelte.
De zeekoet vind ik het nominaat (het meest voorkomende) kleed iets minder aantrekkelijk, al zijn ze er wat vriendelijker uit dan de norse alk. Echter, naarmate je meer naar het noorden gaat hebben zeekoeten vaker een witte oogring met een dalende witte lijn. Als je weet dat ik bij alken fan was van witte lijntjes, weet je dat deze "noordelijke" zeekoeten ook van mijn aandacht genieten!
Als bonus vind je op Hornøya ook de dikbekzeekoet terug, dit is een die-hard arctische soort die hier de zuidgrens van het broedgebied bereikt. Deze houdt het midden tussen een zeekoet en een alk; de snavel is forser dan een zeekoet, maar niet zo fors als die van een alk. Verder is de witte streep aan de snavelbasis karakteristiek. Een vogel voor de lijstjes.
Stinkende schoonheid
Ik sluit de blog af met een paragraafje over de kuifaalscholver, het kleinere neefje van de bij bekende aalscholver. In tegenstelling tot onze aalscholver is de kuifaalscholver een echte zeebonk. Deze vogel verwelkomt je van zodra je voet aan wel zet op Hornøya. Je ziet ze meteen, de eerste nesten zijn naast en onder de aanlegsteiger. Je hoort ze ook, ze maken een heel lelijk nasaal gekrijs maar vooral, je ruik ze. En stinken doen ze! In Vardo vertelde ze al lachend dat Hornoya niet alleen een lust voor het oog is, maar ook voor de neus; dat laatste sarcastisch. 
Ondanks hun stank zijn kuifaalscholvers onwaarschijnlijk mooie vogels, zeker als je ze van dichtbij bekijkt met een zacht zonnetje in de rug. Een waar kleurspektakel ontwaard zich dan; de veren kleur goud tot smaragdgroen. Het contrast tussen fijne nekveertjes en de netjes dakpansgewijs liggende veertjes op de rug is opvallend. En ik moet toegeven, ik verdrink net niet in die diepgroene ogen. Prachtige vogels zijn het, die het moeite hebben om aandacht te trekken tussen al die andere véél schattigere koloniebroeders. Dat is zonde, want ze mogen er zeker zijn!
Ik kijk nu al reikhalzend uit naar mijn volgende bezoekje aan een zeevogelkolonie!
Back to Top